Foto's, documenten, de administratie van jaren: het staat vaak op één harde schijf of één telefoon. Gaat die kapot, dan is het weg. Een back-up maken klinkt als een klus voor specialisten, maar thuis is het goed te doen met middelen die je waarschijnlijk al hebt.
Begin met een lijstje. Welke bestanden zou je echt missen? Meestal zijn dat foto's en video's, belangrijke documenten en misschien je muziek. Programma's hoef je niet te bewaren, die installeer je later opnieuw. Door te kiezen blijft de back-up klein en gaat het kopiëren sneller.
Een veelgebruikt uitgangspunt is dat je van belangrijke bestanden drie kopieën hebt, op twee verschillende soorten opslag, waarvan één buiten de deur. In de praktijk komt dat neer op: het origineel op je computer, een kopie op een externe schijf en een kopie in een clouddienst. Brand, diefstal of een kapotte schijf raakt dan nooit alles tegelijk.
Een externe schijf is goedkoop en snel. Het nadeel is dat je hem zelf moet aansluiten en eraan moet denken. Een clouddienst werkt automatisch op de achtergrond, maar kost bij veel data een maandbedrag en vraagt een goede internetverbinding. De combinatie van die twee vangt elkaars zwakke punten op.
De meeste mensen maken één keer een back-up en vergeten het daarna. Zet het daarom automatisch. Windows en macOS hebben allebei een ingebouwde functie die op gezette tijden kopieert naar een aangesloten schijf. Telefoons kunnen foto's zelf naar de cloud sturen zodra je op wifi zit.
Controleer af en toe of de back-up echt werkt. Open een willekeurig bestand uit de kopie en kijk of het opent. Een back-up die nooit is getest, is een belofte waarvan je pas op het slechtste moment ontdekt of hij klopt.